Ik heb geluisterd naar je ademhaling en het ritme van je hart. Ik was daar als het even brak, heb gevoeld waar de warmte zich in je lichaam verzamelt en hoe je je telkens weer herpakt.
Ik heb je gevierd, gevierd in poëzie.
Ik ben geboren in je borstkas, rende weg toen ik een puber was en kwam terug toen ik je écht zag. Openhartig.
Zo heb ik je willen schrijven, over alle mooie mensen op je pad. Ik las de stad als een boek vol levende verhalen. Het zijn voor mij niet de gedichten of de titel die mijn herinneringen aan het stadsdichterschap zo bijzonder maken, maar de ontmoetingen, de mensen, de vriendschappen.
In het hart van het land klopt mijn thuis en ik vier je. Ik vier je in poëzie.
Charlotte de Raad, januari 2026