Mijn boodschappen-app opent
alweer het nieuws van vandaag.
Kisten stampen de slaapkamer in.
Jonge mannen, ieder gebaard
met onverdraaglijk veel moeite.
Jonge mannen stappen
uit het nieuws,
in mijn hoofd,
in de slaapkamer.
Ik zei:
Kijk gul, maar niet naar de ogen van mijn oogappels.
Ik zei:
Vandaag geen akelige dingen, alsjeblieft.
Niet de kuiten, niet de voetjes, niet de vingers.
Ik dacht:
Een kind moet toch mild stemmen?
Het had niet mogen gebeuren;
het was de bedoeling.
Ze dwongen ons op de knieën.
Hier zette ik jou neer,
dit stukje Westerheide.
Voor het eerst bleef je staan,
niet op je knieën gegaan.
Dat gevoel:
dat je springt
dat je voeten water verwachten,
dat
ik werd door stappen verrast.
Ik heb je ingestopt
onder de ruisende eik.
Hij zingt jou toe, vannacht.
Als ook hij blad verliest,
waakt de grote pijnboom over jou.
Wie weet,
wie weet zie ik je weer,
herkennen we elkaar,
daar,
waar jij
mij
misschien
weer verdwijnt.
Hoeveel woorden voor ‘troost’ ken jij?
Als het verdriet te groot is,
dragen de bladeren
Als het verdriet te groot is,
schuilt het in struikgewas
Als het verdriet te groot is,
hecht het aan berkenbast.
Als het verdriet te groot is,
spoelt het weg in een bui.
Als het verdriet te groot is,
stijgt het mee met eksters.
Maar soms,
springt het gewoon weer tevoorschijn.
Maria Farag, Stadsdichter Hilversum