Wat komt er van ons terecht 
als we ons verwijden, 
uitbreiden tot plas en rietmoeras,
tot grasland tot vloed onze boezem raakt, 
kwelt in onze slaap; 
vandaag geen verstandshuwelijk. 

Wat komt er van ons terecht,
als droog zandgrond samenvloeit met waterrijk? 
De koekoeksbloem houdt ons wakker.
Wij willen ons niet laten kennen,
ons kent ons al. 
Met vijf keer meer drijven we af. 
Het leblammetje sabbelt aan de vinger
van de 1-procentboer; 
dezelfde vinger die hij zwijgend heft vanaf zijn trekker.

Maar wat komt er van ons terecht, 
als we verdrinken in onze lasten? 
Het gaat niet om veenmos of fonteinkruid, 
We hebben ook niks tegen struikheide, 
maar alles tegen de maalstroom naar dat zwarte gat.

Als we ons verwijden, 
zullen we verdwijnen,
in nieuwe ogen,
die ons dwingen, 
in ons keurslijf. 

Wat komt er van ons terecht?
dachten mijn ouders aan de Kapittelweg in Kerkelanden, 
in hun spiksplinternieuwe bovenwoning,
boven het winkelcentrum, 
bovenverwachting van hun eerste toekomst,
boven de supermarkt voor hun dagelijks brood, 
boven de beautysalon voor haar goede gezondheid.
boven de huisarts die hem de deur wees na grof onbegrip,
Kerkepolder bood zestig jaar geleden nieuwe Hilversummers een thuis.

Papa, wat moet ik nu, 
vroeg mijn moeder misschien, 
Ik hoef geen man, ik ben gelukkig zo.
Meisje, kijk naar je nieuwe schoenen: 
Prachtig leer, pijnlijk leer, 
Na je eerste stugge stappen soepel,
Door jouw warmte zacht 
tegen harde ondergrond:
samen sterker.
Mijn ouders pasten niet, 
polder werd buitenwijk;
maar beiden bleven        
naar elkaar omkijken. 

Kijk, dit komt van ons terecht:
Wij zijn nu wij. 
Laten we nieuwsgierig zijn, 
naar wie ben jij? 
Laat je bekijken door nieuwe ogen, 
luister naar hoe je naam klinkt, 
laat je horen.

Ruik voor het eerst een uitsmijter  
zoals mijn moeder in café ‘t Pandje. 
Ei hoort wél bij ham en kaas, 
zoals zand bij plas en gras.

Laat je bekijken 
kijk om 
naar wat is gebeurd,
naar elkaar, 
zie elkaar. 

Laten we hier,
in dit zwarte gat,
lampjes hangen, 
dansen op zachtleren schoenen,
in het licht van de stroboscoop,
tot de vonken van de voeten,
tot de druppels om de oren, 
tot onder elke stap 
boterbloem, ratelaar, dotterbloem, waterlelie, sneeuwklokje, pinksterbloem  
tot één bont tapijt, kijk 
vooruit.

Maria Farag, Stadsdichter Hilversum 

Scroll terug naar boven

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de uitmail